Palestrini,
Vorige week woensdagnacht raapte ik bij de vuilnishoop
middenin de straat een pakketje handbeschreven
blocnotevelletjes op die door vocht en vuil helemaal aan
elkaar geplakt zaten. Er zat een lintje omheen en daardoor
dacht ik dat het oude brieven waren.
Het heeft heel wat moeite gekost, maar uiteindelijk heb ik
nu ongeveer de helft van de blaadjes weten los te peuteren
en te ontcijferen.
Het is een wonderlijk verhaal, geschreven door een kind,
een jongetje van negen jaar, maar met een voor die leeftijd
veel te grote woordenschat. Misschien heeft hij deze
bijzondere en traumatische ervaring pas opgeschreven toen
hij ouder was. Ik weet het niet, maar wel lijkt het
aannemelijk, dat er een link is met P-31, omdat er aan het
eind een oproep is toegevoegd, die aanknopingspunten geeft
met informatie die ons eerder onder ogen kwam.
Dit is de tekst:
Wij logeerden bij ons tante in Amsterdam. Wij waren zeven
en negen, mijn zusje en ik. Op een dag moest tante de stad
in en ze zei tegen ons:
“Broertje en zusje, luister eens. Tante moet vanmiddag naar
de stad om een nieuwe jurk te kopen, want binnenkort is er
een groot bal en ze heeft niets om aan te trekken. Jullie
moeten thuisblijven, maar beloof tante één ding, dat jullie
niet het huis uit zult gaan, want anders zul je verdwalen
en dan vind je misschien nooit meer de weg naar huis
terug.”
Wij beloofden haar dat we niet het huis uit zouden gaan en
nadat ze thee en koekjes voor ons had klaargezet en ons
allebei een kus had gegeven, ging ons tante weg en ze deed
de voordeur op slot.
Eerst speelden we samen met poppen. We dronken thee en
gaven de poppen ook een kopje. Toen gingen we verstoppertje
spelen en we renden alle trappen op en af en maakten alle
kamers open, ook de grote slaapkamer van tante. Dat was een
prachtige kamer. De muren waren bespannen met een diepgele
zijde, er stond een kaptafel met een grote spiegel erop in
een vergulde lijst. Aan de muur, tegenover het enorme bed,
hing een schilderij van een man in uniform en schuin voor
een van de ramen stond een pedestal met een prachtig boeket
van zijden bloemen in een turkooisen vaas.
Het was een sprookjeskamer en ons tante moest wel een goede
fee zijn. We durfden nauwelijks adem te halen. We lieten
ons hand langs de satijnen sprei op het bed glijden en
staken de zee van lichtblauw tapijt over naar het raam.
Daar schoven we de dikke vitrages een stukje uiteen en
keken omlaag in de tuin. De zon scheen en beneden stonden
uitbundige bossen van honderden bloemen en overal zongen
vogels, zo vrolijk. En middenin de tuin was een kleine
vijver en daarbij stond een roodbruin hertje te drinken.
Even keken we elkaar aan en tegelijk keerden we ons van het
raam en renden de kamer door, de trappen af naar het
achterhuis, maar hoe we ook zochten, nergens beneden waren
ramen of deuren die uitkwamen op een tuin.
“Misschien moeten we nog verder naar beneden,” opperde ik
tenslotte en in het immense huis gingen we op zoek naar een
trap omlaag. In de hal was een deur die ons nog niet eerder
was opgevallen en toen we die openden, keken we in een
donker trapgat, waaruit een muffige kelderlucht opsteeg.
Aan de muur zat een schakelaar en toen ik op mijn tenen
ging staan en het knopje omdraaide, ging er onderaan de
trap een lamp aan.
Zusje durfde eerst niet, maar toen ik haar aan het hertje
herinnerde en aan de bonte tuin vol bloemen, volgde ze mij
voorzichtig omlaag. Beneden gaven wij elkaar een hand en
samen gingen we op zoek naar de achterkant van het huis,
waar mogelijk een deur was die toegang gaf tot de zonnige
tuin.
Het voorste stuk van de kelder werd verlicht door twee
lampen. Er stonden stellingen met potten en flessen en
tegen een pilaar stond een ouderwets rijwiel. Daarachter
werd het donkerder en er lag allerlei oude rommel met een
laag stof erop.
“Ik wil terug,” zei zusje, “ik vind het hier eng.”
Ik probeerde haar gerust te stellen. Veel verder kon het
niet zijn en als we eenmaal bij de achterste muur waren,
zouden we misschien wel het licht van een raam of een deur
zien. Zo liepen we zwijgend verder en geleidelijk werd het
bijna helemaal donker. We liepen dicht tegen elkaar aan en
hielden elkaars hand stevig vast en net toen ik het op wou
geven en terug wou gaan, leek het of er in de verte voor
ons uit een zwak schijnsel zichtbaar was.
“Daar!” riep ik opgelucht, “daar is iets” en mijn stem
weergalmde schril in de duisternis.
Snel liepen we nu op het licht aan, maar toen we er
dichterbij kwamen, zagen we dat het niet de zon was die
door een raam naarbinnen scheen. Het waren kaarsen,
reuzengroot en in het midden, voor een stenen muur stond
een vrouw in een fantastisch gewaad, dat schitterde in het
dansende kaarslicht. Ze wenkte en lachte ons toe.
Zusje trok aan mijn hand en bleef achter mij staan, maar ik
was als betoverd en bleef doorlopen en trok haar mee. Tot
we vlak voor de vrouw stonden en haar sprakeloos
aanstaarden. Ook zij bleef zwijgen.
“Wie ben jij?” zei ik tenslotte. Ze lachte en spreidde haar
armen, zodat haar gewaad breed uitwaaierde en in het
kaarslicht van duizend sterren schitterde.
“Ik ben gekomen, de Dromenvrouw. Ik ben de weg tussen licht
en duisternis. Kijk…” en achter haar week de muur een
weinig uiteen en door de spleet vingen we een glimp op van
de tuin die we zojuist hadden gezien uit tante’s
slaapkamerraam.
“Willen jullie daar binnengaan?”
Zusje zei niets, maar ik riep “Ja” en kneep in haar hand.
“Mannen zijn dromers en vrouwen niet,” zei de Dromenvrouw,
“toch beweegt elk meisje zich van nature makkelijker in een
droom, dan de dromerigste jongen.”
Ik luisterde maar half en keek langs haar heen door de
smalle opening in de muur, waar bloemen straalden in het
zonlicht.
De Dromenvrouw deed een pas opzij en werktuigelijk kwamen
we naar voren en stonden voor de muur.
“Ga maar naar binnen,” zei de Dromenvrouw, “en als jullie
uitgekeken zijn, neem dan een slok van dit drankje. Dat
brengt je weer thuis.”
En ze gaf aan zusje een glazen flesje met een vloeistof
erin met de kleuren van de regenboog.
“Bewaar het goed,” zei ze en toen hielp ze ons een voor een
door de spleet in de muur en verdween.
Daar stonden we. We keken rond en snoven de geuren op. Het
licht en de warmte waren een verademing na de muffe,
donkere kelder. Zusje pakte mijn hand en trok me mee naar
de vijver die we tussen de bloemen zagen schitteren. Hij
was veel groter, dan we hadden gedacht en aan de oever
stond het hert.
“Hertje, hertje,” riep zusje. Ze liet mijn hand los en
rende naar hem toe. Het hert hief zijn kop op. Even keek
het stil naar ons, toen nam het een sprongetje en ging op
een drafje naar een bosje, iets verderop.
“Hertje, lief hertje,” riep zusje weer, “loop niet weg,
wacht toch even” en ze holde langs de rand van de vijver
naar waar het hert was blijven staan. Ik was bang dat ik
haar uit het oog zou verliezen en zette het ook op een
lopen. Het hert maakte daarop weer een paar sprongen en
wachtte aan de rand van een bos. Zusje snelde naar hem toe
en toen ze hem bijna bereikt had, wendde hij zich af en
vluchtte weg tussen de bomen en zij verdween met hem mee.
Ik rende naar de plek, waar ik de laatste glimp van haar
tussen de stammen had gezien, maar noch van haar, noch van
het hert was een spoor te bekennen.
“Zusje,” riep ik zo hard ik kon, “zusje, kom terug,” maar
er kwam geen antwoord en hoe ik ook riep en hoe ik ook
zocht, ze kwam niet terug.
Eerst wist ik niet meer wat ik moest beginnen. Wat zou
tante zeggen, als ze hoorde dat we toch het huis uit waren
gegaan? Maar gold haar verbod ook voor de tuin? Die hoorde
toch bij haar huis? Het was wel vreemd, dat de tuin zo
groot was, dat er een hert in liep en dat er aan het eind
een bos groeide. Dat was eigenlijk raar voor een tuin
midden in de stad. Toen we er uit het slaapkamerraam op
neer hadden gekeken, was me helemaal niet opgevallen dat ie
zo uitgestrekt was.
Toen ik het tot me doordrong dat het zoeken naar zusje
niets zou opleveren en dat ik alleen maar kans liep zelf te
verdwalen, als ik in het wilde weg het bos in zou gaan, was
ik teruggelopen naar de vijver. Ik verwachtte als
vanzelfsprekend vandaar het huis van tante te kunnen zien
en de andere huizen van de straat, waar zij woonde, maar
van huizen was nergens iets te bespeuren. Ik liep verder in
de richting waaruit wij gekomen waren, maar ook de muur
waar de Dromenvrouw ons doorheengeholpen had, was
verdwenen. Ik barstte in snikken uit, want plotseling
besefte ik, dat ik verdwaald was in een vreemde wereld en
dat ik misschien wel nooit meer de weg terug zou kunnen
vinden naar tante in Amsterdam en naar ons vader en moeder.
Later bedacht ik, dat zusje het flesje had meegenomen, dat
de Dromenvrouw haar had gegeven en dat een slokje van de
regenboogdrank misschien wel de enige manier was om aan
deze droomwereld te ontsnappen.
Even werd ik ontzettend boos op haar, dat ze zomaar achter
het hert was aangehold zonder na te denken en dat ze me
hier alleen had achtergelaten, maar ja, ze was pas zeven.
Toen mijn woede weer wegebde, besefte ik, dat als ik ooit
weer thuis wilde komen, ik zusje moest zien te vinden,
zodat we samen een slok van het drankje konden nemen. Als
ze het flesje nu maar niet verloren was…
Voor wie dit leest
Te bezorgen bij tante An in Amsterdam
in een straat die met een P begint
bij het Concertgebouw
___________________________________________________________
Yahoo! Messenger - Communicate instantly..."Ping"
your friends today! Download Messenger Now
http://uk.messenger.yahoo.com/download/index.html