Palestrini,
De onverklaarbare verdwijning van twee kinderen, die begon
als een sprookje, krijgt in dit tweede document een
dramatisch vervolg. Het leven van een van onze
straatgenoten lijkt er in ieder geval volledig door
verwoest.
Hoewel de oorsprong van dit door mij met veel moeite
ontcijferde tweede document duister is, lijken het verhaal
en de daarin beschreven emoties absoluut authentiek.
Hoewel de politie indertijd ook bij u navraag zal hebben
gedaan - oudere bewoners zullen zich dit nog herinneren,
kan het zijn dat u bij lezing van dit verhaal alsnog dingen
te binnen schieten, waarvan u zich indertijd, toen deze
affaire actueel was, niet bewust bent geweest.
Stuurt u in dat geval uw opmerkingen gerust naar
bovenstaand e-mail adres. Alles wat licht op deze duistere
zaak kan werpen is welkom.
Hierbij de tekst:
Vannacht heb ik gedroomd van tante An. Ze kwam thuis in het
huis en riep: “Broertje, zusje, ik ben er weer!” en ze liep
door de hal en legde een groot pak en twee kleine pakjes
neer op de tafel die daar staat en deed het jasje van haar
mantelpak uit.
“Oehoe,” riep ze, “waar zijn jullie?” en ze klapte in haar
handen en lachte.
“Kom eens hier. Ik heb iets moois voor jullie meegenomen.”
Toen zag ze de deur naar de kelder openstaan en het licht
dat nog brandde. Ze ging de trap af en speurde de kelder
rond. Er was natuurlijk niemand.
Daarna holde ze het hele huis door en toen de straat op. Ze
liep alle blokken rond achter het Concertgebouw en toen ze
ons niet vond, keerde ze terug naar huis en ging op een
stoel in de keuken zitten snikken. Op het laatst belde ze
ons vader en moeder en die kwamen zo snel ze konden naar
Amsterdam.
Ik heb deze droom al vaker gehad en intussen weet ik, dat
het zo gegaan moet zijn. Wat ik droom gebeurt in de
werkelijkheid en zelf leef ik in een droom.
Zo heb ik ook zusje teruggevonden. De eerste weken van mijn
zwerftocht wist of hoorde ik niets van haar, maar op een
nacht verscheen ze mij in een droom. Alleen in onze dromen
kunnen wij contact met elkaar hebben, als wij van elkaar
dromen, maar met elkaar spreken, zoals in de werkelijkheid,
is niet mogelijk. Wij lezen elkaars gedachten en zien van
elkaar de beelden die door onze hoofden gaan. Zo weet ik
dat ze een vrouw geworden is en dat ze ergens in een bos
woont, dicht bij de zee. Overdag leeft ze met haar herten
en in de middag gaat ze naar zee en speelt met de dolfijnen
tot de zon ondergaat. Ik vraag haar nog wel eens naar het
flesje met de regenboogdrank, maar dan ontwijkt ze mij. Het
lijkt wel, of ze alles wat vroeger gebeurd is, ons vader en
moeder en tante An helemaal vergeten is. Ze droomt
blijkbaar nooit van ze.
Ikzelf wel. Alles wat er na onze verdwijning gebeurd is,
heb ik gezien. De wanhoop van vader en moeder, het verdriet
van tante An. Ze heeft het zichzelf erg kwalijk genomen,
dat ze ons die middag alleen heeft thuisgelaten. Eerst
sloot ze zich op in haar huis. Ze kwam nooit buiten, alleen
voor het hoogstnoodzakelijke. Alle hoeken van het huis
heeft ze honderd keer doorzocht in de hoop een spoor van
ons te vinden. Ook de tuin. Op een dag, toen de zon scheen,
zette ze een stoel buiten en staarde urenlang voor zich
uit. Mogelijk sliep ze half en droomde ze, want op een
gegeven moment kwam ze overeind en riep: “Broertje, ben je
daar?”
Ze liep aarzelend naar de vijver en keek toen verwilderd
rond. Misschien had ze mijn schim gezien, die bij de vijver
stond. Ze rende naar het eind van de tuin, waar het bos
begon en riep nog eens, “Broertje,” maar toen schudde ze
haar hoofd en ging terug naar binnen.
Sindsdien had ze geen rust meer. Ze hield het thuis niet
langer uit en ging reizen. Ze is overal geweest en ik weet
dat ze de stille hoop heeft, dat ze ons ooit ergens zal
vinden, zusje en mij. Ze droomt vaak over ons, zoals we
toen waren. Als ik nog zo was als toen, zou ik haar in haar
droom misschien kunnen laten weten, dat ik nog leef en dat
het wel goed met mij gaat. Maar ik ben niet meer wie ik was
en als ik mij nu tussen haar droombeelden begeef, herkent
ze mij niet.
Ik ben een avonturier. Als een jonge ridder ben ik duizend
bossen doorgetrokken en tientallen jonkvrouwen heb ik
bevrijd. Meestal leken ze op Deborah Harry, want die vond
ik als jongetje zo mooi, vooral haar mond, als ze lachte.
Ik ben de ruimte ingegaan en vocht tegen hordes aliens,
samen met Sigourney Weaver. Ik was autocoureur,
straaljagerpiloot; ik stond bovenop de Mount Everest en ik
heb mij laten zakken in de diepste oceaantroggen, soms met
Cousteau, soms in de bathyscaaf van professor Barabas, maar
meestal in de duikboot van kapitein Nemo. Ik was een havik,
ik was een zalm, ik was een grote beer. Ik ben meegevaren
op de Beagle, samen met Charles Darwin en op de Bounty was
ik ook. Ik heb op de maan rondgelopen en de grote stappen
gemaakt, niet met de NASA, maar met baron Von Münchhausen.
Wat een bijzondere man is dat! Nauwelijks bij te houden.
Soms kom ik echter in scenes terecht, waar ik bang van
word. Hans en Grietje is echt niet leuk en ook Klein
Duimpje is ontzettend gruwelijk om mee te maken. Juist deze
ervaringen komen vaker terug. Je hebt er geen macht over en
je bent blij als het goed met je afloopt. Ik was nog te
jong om er veel van te weten, maar ze schijnen voort te
komen uit een collectief onderbewuste, een reservoir van
ideeën die alle mensen gemeen hebben en waar de meest
verschrikkelijke monsters huizen, de droesem van de ziel.
Ze dwalen door de bossen die je doortrekt en soms
bespringen ze je onverhoeds en verscheuren je. Dan hoop ik
wel eens, dat als ik hier sterf, ik zal ontwaken in de
werkelijke wereld en dat ik dan terug kan keren naar vader
en moeder, als die dan tenminste nog in leven zijn, want
hoeveel tijd er sinds ons verdwijnen verstreken is, ik heb
geen idee.
Ik heb wel eens een verhaal gelezen, waarin iemand in slaap
viel onder een boom en pas honderd jaar later wakker werd,
net als in Doornroosje. Zou zusje en mij ook zoiets
overkomen zijn? Waar ik niet uitkom, is de vraag waar wij
dan gebleven zijn. Die man onder die boom en Doornroosje in
haar kasteel, die bestonden nog ergens in de wereld, maar
wij zijn door de spleet in de muur gestapt en lijken
sindsdien wel van de aardbodem verwenen. Ons tante heeft
maandenlang alle kamers van het huis doorzocht en op haar
knieën door de tuin gekropen, maar nergens kon ze een spoor
van ons ontdekken. Zijn we dan fysiek in het land van de
Dromenvrouw terechtgekomen? Dat kan toch niet?! Het weefsel
waarvan dromen zijn gemaakt, is van een heel ander garen
gesponnen, dan wezens van vlees en bloed.
Ook de politie die door ons vader en moeder was
ingeschakeld en die elke centimeter van de kelder heeft
onderzocht, heeft niets kunnen vinden. Ze dachten, dat we
uiteindelijk toch de straat op waren gegaan en misschien
door iemand waren meegenomen. Maar volgens tante was dat
onmogelijk. Ze wist zeker dat de voordeur nog op slot had
gezeten, toen ze thuiskwam en wij hadden geen sleutel.
Het was natuurlijk ook onzin. We zijn de voordeur helemaal
niet uitgegaan. We liepen door de kelder en zo zijn we door
de achtermuur in de tuin beland. Dat was op zichzelf al
wonderlijk. Misschien was er iets vreemds met die kelder.
Hij was zo groot. Misschien zijn we in de kelder al een
soort droomwereld binnengelopen, zonder dat we er erg in
hadden. In deze droom ontmoetten we de Dromenvrouw en die
liet ons dromen dat we door een muur een dromentuin
binnenstapten. Als het zo gegaan is, dan moeten we dus nog
ergens in de kelder zijn, maar in een gedeelte, waar tante
en de politie om de een of andere reden niet konden komen.
Daar liggen we dan te slapen en misschien worden we ook,
net als Doornroosje, pas over honderd jaar wakker.
Wie dit vindt,
bezorg deze brief alstublieft bij tante An.
Zij woont in Amsterdam in een straat achter het
Concertgebouw
de naam ben ik vergeten, maar het is vlakbij een kerk.
RL/P6hs
___________________________________________________________
Yahoo! Messenger - Communicate instantly..."Ping"
your friends today! Download Messenger Now
http://uk.messenger.yahoo.com/download/index.html